Uit de klas Erhan

 

De klas (groep 8) waaraan hij lesgeeft is pittig, maar op een andere manier dan hij gewend was in de Schilderswijk - Den Haag. Veel van zijn huidige leerlingen hebben een diagnose (ADHD, autisme, dyslexie, …). “Iedereen heeft hier wel iets op tafel om te friemelen, maar de leerlingen willen wel luisteren.” 


Erhan-Intro

 

Hoe Erhan bij BRIXS Onderwijs kwam?

 

E (Erhan): Van dat friemelen [met een stressbal bijvoorbeeld, red.] heb ik niet zo’n last, misschien omdat ik het zelf ook doe. En het is beter dan wanneer ze constant op tafel tikken of schriften scheuren. En ja, ze friemelen, maar als niemand dat stoort, wat is het probleem dan? Dat zijn hun behoeften. Ik kan wel zeggen “dat mag niet”, maar daar los ik niets mee op. Nu kunnen we ons richten op de dingen die echt geleerd moeten worden. Voor andere leerkrachten kan dat friemelen weer wel frustrerend zijn, maar soort zoekt soort hè.

“Ik heb nog maar tot de zomervakantie de tijd!”

Ik vroeg mijn vader laatst nog hoe ik zelf was als leerling, ik had zelf de diagnose ADHD. Mijn vader zei; “Je was beweeglijk, altijd actiever dan klasgenoten, maar je haalde goede cijfers en deed niets verkeerd, wat is ADHD dan?”. Die insteek heb ik voor een deel wel overgenomen. Niet alles wat leerlingen anders doen dan ik wil is fout. Soms wil je iets verbieden, maar denk je bij jezelf “maar waarom mag dat eigenlijk niet?”.

 

M (Marc): Iemand die andere gewoonten heeft, is nog niet iemand die over een grens gaat. En dat verandert niet wanneer iemand gediagnostiseerd is, bedoel je dat?
 
E: Ja, je moet je leerlingen niet behandelen als het stempel dat ze opgeplakt hebben gekregen. Natuurlijk hebben de leerlingen de grens opgezocht toen ik hier net kwam, maar dat gebeurt niet omdat ze gediagnostiseerd zijn of een stoornis hebben. En als gedrag niet stoort en de resultaten goed zijn, moet je gedrag dan afleren?
 

M: Je moet leerlingen niet willen behandelen, maar je moet meer doen dan alleen de lesstof bijbrengen?
 
Ik heb nog maar tot de zomervakantie de tijd om de kinderen iets mee te geven, daarna zie ik ze misschien nooit meer. Wat ik ze kan meegeven, moet nu gebeuren. Als de situatie daar om vraagt zie ik het ook als mijn taak om leerlingen een basis mee te geven die verder gaat dan de lesstof zelf. Daarom heb ik tijdens mijn intake bij BRIXS gezegd ‘Geef mij maar een pittige klas, dat is waar mijn uitdaging ligt’. En dit is een pittige klas.

“Geef mij maar een pittige klas, dat is waar mijn uitdaging ligt.”

M: Wat is een pittige klas?
 
E: Vanuit mijn ervaring met ‘probleemgedrag’ in de Schilderswijk, verwachtte ik hier meer gedrag dat uit ‘het niets’ ontstond. Maar de uitdaging was net anders. De leerlingen hebben veel wisselingen van leerkracht gehad en dachten dat alles mocht, ze waren het niet meer gewend om te werken. Er moest vooral een nieuwe structuur ingebracht worden. Dat was wennen voor de klas. Kinderen met autisme hebben daarbij bijvoorbeeld veel tijd en aandacht nodig, het proces van aanpassen gaat langzaam. En dan zijn er nog veel andere leerlingen met andere indicaties. Dus, ja, het is een pittige klas, maar kinderen willen hier echt wel luisteren en leren.
 
M: Waar ligt voor jou als leerkracht het verschil tussen werken in de Schilderswijk of hier?
 
E: In Velserbroek spelen er ook dingen buiten school, maar leerlingen zijn niet tegen school of tegen het onderwijs. In de Schilderswijk heb je bijvoorbeeld kinderen in de klas die te maken hebben met criminaliteit en door de cultuur die daarbij hoort beïnvloed worden. De gedragsproblemen daar hebben vaak een andere oorzaak en vragen deels om een andere aanpak.
 
M: Waar merk je dat aan?
 
E: Wat me hier opviel was de ouderbetrokkenheid. Die is hoog. De ouders in de Schilderswijk zijn over het algemeen ook betrokken, maar er is een barrière. De ouders wilden wel helpen, maar wisten niet hoe. Vaak door een taalprobleem of onbekendheid met de mogelijkheden in Nederland. Ouders kunnen moeilijker helpen op school, kunnen hun kinderen minder goed ondersteunen bij huiswerk, weten soms het verschil niet tussen een computer en internet. Kinderen en ouders krijgen minder kansen en kunnen die minder goed benutten.
                 
Vorige week deed ik hier een oproep aan ouders om mee te fietsen naar een middelbare school die we zouden bezoeken. Binnen een halve dag waren alle plaatsen bezet. Ik moest zelfs ouders afwijzen. Ik zeg dan ook tegen ze hoe goed het is dat ze zo betrokken zijn. Want het lijkt heel normaal, maar dat is het niet.

Erhan 

Erhan vertelt hoe hij het belang van die ‘buitenschoolse’ activiteiten zelf heeft ondervonden, op een positieve manier.
 
E: Door mijn ouders werd ik vroeger naar allerlei clubs en verenigingen meegenomen, zwemles, voetbal, schaatsen, waterpolo, judo. Zij waren het niet gewend dat er activiteiten georganiseerd worden waarvoor je je gewoon kunt inschrijven. In die activiteiten kon ik mijn energie kwijt.
 
De activiteiten naast school zijn net zo belangrijk als wat kinderen op school doen. Ze zijn dan wel een groot deel van de tijd op school, maar het maakt een groot verschil of een kind thuiskomt en de vader of moeder vraagt wat deze gedaan heeft en of ze kunnen helpen, of dat de kinderen zichzelf moeten vermaken. 

 
M: Zou het zo kunnen zijn dat de omgeving van de leerlingen hier samenvalt met de eisen die in de klas gesteld worden? Is een structuur in de klas hier daarom eerder geaccepteerd dan in een omgeving met andere maatschappelijke problemen, zoals de Schilderswijk?
 
E: Hier is geen gedrag dat ‘van buiten’ komt, ook als het thuis minder goed gaat is de stemming tegenover de school niet negatief. Als ouders, buurtgenoten en mensen op verenigingen het belangrijk en vanzelfsprekend vinden wat een leerling op school doet, is dat voor een leerkracht fijn.
Natuurlijk moet je de individuele gevallen goed kunnen inschatten en weten op welke manier je met welk gedrag om moet gaan. Dat zie ik hier goed. Wat komt door een stoornis en wat door een thuissituatie of door een cultureel verschil. Maar de band die je één-op-één met een leerling hebt is hier niet anders dan in de Schilderswijk. Vanuit die band kun je verder werken.
 
M: Leer je hier dingen die je in een andere situatie kan gebruiken?
 
E: Voorlopig zit ik hier, en daar ben ik blij mee. In de toekomst zou ik graag weer in een wijk als de Schilderswijk werken. Dat is mijn doelgroep, daar ken ik de problemen goed en daar zijn de leerlingen voor wie ik het meeste verschil kan maken. De ervaring met stoornissen kan ik in de toekomst ook in een multiculturele wijk inzetten. Juist omdat ik nu goed kan zien welk gedrag vanuit een stoornis te verklaren is en welk gedrag beter uit sociale of maatschappelijke invloeden te begrijpen valt.
 
M: Wat ga je morgen doen?
 
E: De Cito staat op het programma! Morgen gaan we rekenen.

 

 

Vacatures Onderwijs